Meest recente testupdate: 4 mei 2012
Extra informatie
 

Woordenboek

Veel termen en begrippen zijn voor digitale camera's al helemaal ingeburgerd, maar wat houden ze nu precies in? De Consumentenbond zet ze hier voor je op een rijtje

 
AA

Veelgebruikte afkorting waarmee de gewone penlite-batterij bedoeld wordt.

AAA

Het kleinere zusje van de penlite, ook wel mini-penlite genoemd, wordt meestal gebruikt voor afstandsbedieningen, maar ook voor sommige camera's.

AE (Auto Exposure)

Automatische belichting.

AF (Auto Focus)

Automatisch scherpstellen.

Afdrukvertraging

De tijd tussen het drukken op de knop en het werkelijk maken van de foto.

Aperture

Engelse term voor diafragma

Beeldruis

Ontstaat vooral als je bij weinig licht hogere ISO-waarden gebruikt. De foto wordt grover en je ziet willekeurig gekleurde pixels in de foto.

Beeldsensor (beeldchip)

Het onderdeel in de digitale camera dat het licht dat door de lens naar binnenvalt, registreert via miljoenen lichtgevoelige elementen.

Beeldstabilisatie

Systeem dat ervoor moet zorgen dat foto's bij langere sluitertijden of ver inzoomen niet ‘bewogen’ zijn. Een mechanisch of optisch systeem heeft de voorkeur. Een digitaal/elektronisch systeem heeft namelijk impact op de beeldkwaliteit. Een optisch of mechanisch systeem vermindert (als het goed is) de onscherpte die veroorzaakt wordt door de beweging van je hand. Als je onderwerp beweegt, helpt zo’n systeem niet om de onscherpte te verminderen.

Beeldstabilisatie, digitaal of elektronisch

Bij digitale beeldstabilisatie, aangegeven met verschillende namen (bijv. digital shake reduction) wordt bijvoorbeeld de ISO-waarde automatisch verhoogd, zodat ook een kortere sluitertijd ingesteld kan worden. Dan wordt je plaatje inderdaad minder onscherp, maar een hogere ISO-waarde zorgt voor meer beeldruis. Om dat weer te verminderen, voeren veel camera’s die deze functie hebben, ook softwarematige verscherping en ruisonderdrukking uit. Maar het algehele kwaliteitsverlies is aanzienlijk. Soms zien de foto’s er wel wat scherper uit, maar het effect is: minder ruis (een ‘zachter’ plaatje) en minder goede resolutie in de fijne details (door de verscherping). Maar in veel gevallen is de overblijvende ruis duidelijk zichtbaar en erger dan wanneer de ‘stabilisatie’ functie uit staat.

Beeldstabilisatie, mechanisch

Een mechanisch beeldstabilisatiesysteem zit bij de beeldsensor. Met sensoren wordt de horizontale en verticale snelheid gedetecteerd die meteen door beweging van de beeldsensor wordt gecompenseerd.

Beeldstabilisatie, optisch

Een optisch beeldstabilisatiesysteem maakt deel uit van de lens. Met sensoren wordt de horizontale en verticale snelheid gedetecteerd die meteen door het lenselement wordt gecompenseerd.

Belichtingscorrectie

Hiermee kun je een foto wat donkerder of lichter maken dan met de dan geldende instellingen. Op de camera meestal aangegeven met een vierkant plus/min symbooltje en/of de afkorting EV (Exposure Value).

Belichtingsprogramma

Bij digitale camera's kun je fotograferen in de automatische stand en bij meer geavanceerde camera's ook volledig handmatig. Daartussenin hebben fabrikanten de mogelijkheid gecreëerd om zonder fotografische kennis zelf instellingen te doen die passen bij de situatie waarin gefotografeerd wordt. Je kunt kiezen tussen verschillende belichtingsprogramma's, bijvoorbeeld sneeuw & strand, kaarslicht, vuurwerk.

Brandpuntafstand

Afstand van het brandpunt tot het midden van de lens- of spiegelpunt, waarin lichtstralen na breking elkaar snijden.

Bridge-camera

Een compactcamera die qua gewicht, formaat en instelmogelijkheden in de buurt komt van een spiegelreflexcamera, maar niet het spiegelsysteem heeft, geen verwisselbare lenzen en een kleinere beeldsensor.

BSS (Best Shot Selector)

Als u deze functie inschakelt, maakt de camera snel maximaal 10 foto’s achter elkaar en kiest daar de beste uit.

Bulb

Als je camera in de bulb stand staat, kun je de sluitertijd handmatig beinvloeden. De sluiter blijft net zo lang open als je de knop ingedrukt houdt.

CCD (Charge-Coupled Device)

CCD (Charge-Coupled Device): Type beeldsensor. In een CCD wordt de hoeveelheid licht geregistreerd, maar om een digitaal signaal te maken is een apart onderdeel in de camera nodig. Nadelen t.o.v. CMOS: duurdere productie, afwezigheid digitaal signaal, dus extra elektronica nodig en hoger energiegebruik.

CF (CompactFlash)

Type geheugenkaart dat vooral gebruikt wordt voor spiegelreflexcamera’s, hoewel ook daarin steeds vaker SD(HC) kaartjes gebruikt worden. CF I is 3,3 mm dik, II 5 mm.

CMOS (Complementary Metal Oxide Semiconductor)

Type beeldsensor. In een CMOS-sensor wordt het licht niet alleen geregistreerd, maar ook omgezet in een digitaal signaal. Voordelen t.o.v. CCD zijn: goedkopere productie, direct digitaal signaal, dus geen extra elektronica nodig en lager energiegebruik. Inmiddels verholpen nadelen waren: ruispatroon en lagere lichtgevoeligheid.

Compactcamera

Een camera uit één geheel.

Compressie

Een ongecomprimeerde digitale afbeelding neemt veel ruimte in beslag; een lage-resolutieafbeelding van 640x480 pixels en 24-bits kleurweergave kan makkelijk een megabyte ruimte in beslag nemen. Door toepassing van compressie (zoals JPEG) wordt deze beeldinformatie samengepakt en opgeslagen in minder ruimte.

Continu-opnamen

zie Serie-opnamen

Contrast

Het verschil tussen de lichtste en donkerste delen van een foto. Bij veel zon krijgt je foto vaak een hoog contrast tussen schaduw- en lichte delen. Als het contrast te hoog is, gaan details verloren in de lichtste en/of donkerste delen van een foto.

Diafragma-opening

De opening waardoor het licht op de beeldsensor valt. De grootte ervan is afhankelijk van de instellingen. Bij een kleinere opening is de sluitertijd langer en de scherptediepte groter.

Diafragma-prioriteit/Voorkeur

Op de camera meestal aangeduid met A of Av. In deze stand kies je zelf de diafragma-opening en de camera kiest de bijbehorende sluitertijd.

Diafragma-waarde

De waarde waarmee de grootte van de diafragma-opening wordt aangegeven. Hoe lager de waarde, des te groter de opening. Op de lens van een camera staat meestal achter een één met een dubbele punt aangegeven wat de grootst mogelijke opening is in groothoekstand en in telestand, bijvoorbeeld 1:2.8-5.6.

Digitale zoom

Bij digitaal zoomen wordt ingezoomd op de foto zelf (een kleiner deel van de sensor wordt gebruikt). Optische effecten zoals het 'platter' worden van het beeld bij een telelens zijn er niet. Het is vergelijkbaar met het achteraf bijsnijden van een foto. Bij een groot aantal pixels is enigszins digitaal zoomen geen probleem.  

Doorzichthoeker

Dat deel van de camera waar je doorheen kan kijken om te bepalen wat er op de foto komt. De meeste compactcamera’s hebben geen doorzichtzoeker meer, maar alleen nog een LCD-scherm. (zie ook zoekertype).

Dpi

Aanduiding voor de resolutie van een printer. Het aantal inktdruppeltjes dat een printer per inch kan afdrukken. Voor de beste print gebruik je de hoogste resolutie van je printer, maar de foto zelf kan een lagere resolutie hebben (zie ppi). Met 150dpi kun je al goede afdrukken maken en hoger dan 300 dpi hoef je eigenlijk niet te gaan.

DSLR (Digital Single Lens Reflex)

Aanduiding voor digitale spiegelreflexcamera.

EXIF (Exchangeble ImageFile Format)

Formaat waarin bij het jpeg- of RAW bestand van de foto informatie wordt opgeslagen (o.a. cameratype, datum, diafragma, sluitertijd en zoomfactor).

Foto-sites

De lichtgevoelige elementen op de beeldsensor.

Fotodiodes

De lichtgevoelige elementen op de beeldsensor.

FourThirds

Aanduiding voor een systeem van spiegelreflexcamera's, waarbij de sensor een beeldverhouding heeft van 4:3, in plaats van de conventionele 3:2 beeldverhouding. Daardoor kunnen lenzen en camera iets kleiner zijn.

Full frame sensor

Full frame sensoren zijn 36 x 24 mm (kleinbeeldformaat) en worden gebruikt in dure, professionele camera’s. De beelddiagonaal is ongeveer 43 mm. Ter vergelijking: Sensoren in compactcamera’s hebben een diagonaal van ongeveer 6 tot 11 mm. Bij instapmodellen voor spiegelreflexcamera’s is dat ongeveer 22 tot 28 mm.

Groothoeklens

Een lens met een (zoom)bereik van 24 tot 35 mm, waarbij er meer op de foto komt dan bij een standaard lens. Het zoombereik van compactcamera’s begint meestal bij 35 tot 38 mm, maar er zijn ook redelijk wat camera’s met een startwaarde van 27 of 28 mm.

HD

High Definition. Aanduiding voor een hoge resolutie van videobeelden. In feite is HD 2,1 megapixel.

Histogram

Grafiek die je in fotobewerkingssoftware, maar ook in steeds meer camera’s zichtbaar kunt maken. Als de grafiek helemaal links uitschiet, zit er veel zwart in de foto en is de foto deels onderbelicht. Als de grafiek naar rechts uitschiet, is een deel van de foto juist overbelicht.

IPTC-gegevens

Standaard van de International Press Telecommunications Council. Bedoeld om extra gegevens aan de foto toe te voegen naast de EXIf gegevens die door de camera aan het bestand meegegeven worden.

IS

Afkorting voor Image Stabilisation, ofwel beeldstabilisatie.

ISO-waarde

Lichtgevoeligheid. Bij mooi weer is een ISO-waarde van 100-200 normaal en bij slecht weer of weinig licht gebruik je meestal 400 of hoger. Bij een sommige camera’s kun je de ISO-waarde instellen van 50 tot 6400. Andere camera’s hebben een kleiner bereik. Hoe hoger de ISO-waarde, des te meer beeldruis. Soms zijn nog hogere waarden mogelijk, maar dan is het aantal megapixels beperkt.

JPEG

Het meest gebruikte en kleinste formaat om foto’s in op te slaan, waarbij altijd kwaliteitsverlies ontstaat. Er wordt minder kleurinformatie opgeslagen omdat het menselijk oog toch niet alles kan zien. De manier waarop dat wordt gedaan verschilt per camera en is van invloed op de beeldkwaliteit. Elke keer als je iets aan een Jpeg-bestand verandert en opslaat, gaat de kwaliteit iets achteruit omdat het na een verandering helemaal opnieuw berekend wordt.

Kleinbeeldformaat

36 x 24 mm. Afmeting van kleinbeeldnegatief (analoge fotografie). Zie ook Full frame sensor.

Kleurbalans

De nauwkeurigheid waarmee kleuren van een opname overeenkomen met de oorspronkelijke scène.

Kleurcorrectie

Aanpassen van kleur in een foto om een optimale kleurinstelling te bereiken of kleurzweem te verwijderen.

Kleurweergave

De nauwkeurigheid waarmee kleuren van een opname overeenkomen met de oorspronkelijke situatie.

Lens

In onze teksten praten wij voor het gemak meestal over de ‘lens’ die bij een camera zit (of er deel van uitmaakt). Dit is niet helemaal correct, want zo’n ‘lens’ bestaat uit meerdere lenzen, en dat heet officieel een ‘objectief’. Een lens is officieel maar één stuk geslepen glas.

Live-view

Een functie op spiegelreflexcamera’s die het mogelijk maakt om de foto die je gaat maken op het scherm te zien. Bij spiegelreflexcamera’s kon je voorheen de foto pas op het scherm zien als deze in het geheugen opgeslagen is.

Macro

Officieel betekent ‘macro’ dat het onderwerp van de foto op ware grootte of groter op het oppervlak van de sensor terecht komt. Macrofotografie gaat van ware grootte (1:1) tot een vergroting van 50 keer. Bij ‘close-up’ fotografie denken fotografen aan ware grootte tot een vergroting van 10 keer. De macrofunctie van een camera zorgt ervoor dat het autofocus systeem veel dichterbij probeert scherp te stellen.

Megapixel

Resolutie van 1 miljoen pixels. Een megapixel digitale camera zou bijvoorbeeld een resolutie van 1152x864 pixels hebben.

Megazoom

zie ‘bridge camera’

Metadata / Metagegevens

Gegevens over ‘informatie’, in dit geval gegevens over digitale foto’s (zie ook EXIF-gegevens).

MFT

Micro FourThirds. Aanduiding voor een systeem van spiegelloze camera's met verwisselbare lenzen. Dit wordt gebruikt door Olympus en Panasonic. In dit systeem wordt dezelfde sensor gebruikt als in het FourThirds-systeem, maar de lenzen en camera's zijn kleiner door het ontbreken van het spiegelsysteem.

MOS (Metal Oxide Semiconductor):

Type  beeldsensor. Zie ook CCD en CMOS. MOS-beeldsensoren worden gebruikt door Panasonic, Olympus en Leica. MOS-sensoren lijken op CMOS-sensoren, maar Panasonic heeft bij de ontwikkeling geprobeerd om meer licht op elk sensorelementje te laten vallen, o.a.door meer ruimte te creëren op het sensoroppervlak.

Objectief

Het totaal van meerdere lenzen (zie ook lens).

Optisch zoombereik

Het zoombereik dat gerealiseerd wordt door de lenzen in de camera, zonder gebruik te maken van digitale zoom

Pictbridge

PictBridge is een open standaard, waarmee een digitale camera direct aan een printer gekoppeld kan worden om foto’s te printen. De computer zelf is daarbij niet nodig.

Ppi

Het aantal pixels per inch. Aanduiding voor de resolutie van een beeld. Hoe hoger de waarde, des te kleiner wordt het beeld op het scherm of op papier. Voor beeldschermweergave is 72 ppi voldoende.

Priority mode

Een meer geavanceerde camera beschikt over priority modes. Je kunt daarmee sluitertijd óf diafragma zelf bepalen en zo 'voorrang geven'. Als de sluitertijd voorrang heeft, wordt het diafragma daaraan aangepast en vice versa. Dit is makkelijker dan volledig handmatig instellen, waarbij je beide instellingen zelf moet bepalen.

RAW-formaat

Alle spiegelreflexcamera’s en sommige megazooms kunnen foto’s onbewerkt, dus zonder compressie in RAW-formaat opslaan. In dit RAW-formaat zijn nog geen pixels berekend, maar is alleen vastgelegd hoeveel licht elke fotodiode op de sensor heeft opgevangen. RAW-bestanden zijn véél groter dan JPEG-bestanden, kunnen niet zomaar door alle software gelezen worden en moeten bijna altijd bewerkt worden.

Resolutie

De resolutie van een digitale foto geeft aan hoe gedetailleerd hij is. Resolutie wordt uitgedrukt in beeldpuntjes per inch (zie ook: dpi of ppi). Hier geldt altijd: hoe meer puntjes, des te hoger de resolutie en des te groter het bestand.

RGB

Rood, groen en blauw, de basiskleuren waaruit alle andere kleuren op computerbeeldschermen samengesteld kunnen worden.

Richtgetal

Aanduiding voor de hoeveelheid licht die een flitser kan produceren. Voorbeeld: als je met een flits met richtgetal 32 iets wilt fotograferen op 4 meter afstand, moet je diafragmawaarde 8 gebruiken (32/4=8). Een richtgetal geldt bij ISO waarde 100.

Ruis

zie Beeldruis.

Scannen

Het omzetten van een beeld op papier naar een digitaal beeld met een scanner.

Scene

Instelling op de camera waarbinnen je kunt kiezen voor verschillende belichtingsprogramma's, geschikt voor verschillende situaties/scenes.

Scherptediepte

Welk deel van de foto scherp weergegeven wordt en welk deel als achter- of voorgrond:

Veel scherptediepte: uitzoomen, verder weg gaan staan en een kleine diafragma-opening (=hogere waarde).
Weinig scherptediepte: inzoomen, dichterbij gaan staan (scherpstellen mogelijk probleem) en een grote diafragma-opening (=lagere waarde).

SCN

Veel voorkomende afkorting op camera's voor 'scènes'. Zie ook: belichtingsprogramma.

SD-kaart (Secure Digital)

Het meest populaire type geheugenkaart, gebaseerd op het oudere type Multi Media Card (MMC), maar dikker en een hogere schrijf- en leessnelheid. De oude MMC-kaarten passen en werken ook in een SD-gleuf, maar niet omgekeerd.

SDHC-kaart (SD High Capacity)

SD-kaarten van 4 tot 32 GB. In oudere apparaten met alleen het SD-logo zijn SDHC-kaarten niet te gebruiken.

SD heeft de strijd onder de geheugenkaarten qua populariteit (en prijs) gewonnen.

SDXC

SD-geheugenkaart met een capaciteit vanaf 32 GB. Kan niet gebruikt worden in SD- of SDHC-kaartlezer.

Sensor

Zie Beeldsensor.

Serie-opnamen

Als je de camera instelt op serie-opname, dan maakt de camera meerdere foto’s snel achter elkaar als je de afdrukknop ingedrukt blijft houden. De snelheid en het maximum aantal opnamen achter elkaar verschilt per camera.

Shutter

Engelse term voor sluiter(tijd).

SLR (Single Lens Reflex)

Aanduiding voor spiegelreflexcamera.

Sluitertijd

Een foto heeft een bepaalde hoeveelheid licht nodig voor een goed resultaat. De sluitertijd bepaalt hoe lang het licht door de beeldsensor wordt vastgelegd:

Sluitertijd korter: donkerder foto en minder kans op onscherp beeld door beweging;
Sluitertijd langer: lichtere foto en meer kans op onscherp beeld.

Sluitertijd-prioriteit / voorkeur

Op de camera meestal aangeduid met S of Tv. In deze stand kies je zelf de sluitertijd en de camera kiest de bijbehorende diafragma-opening

Spiegelreflexcamera

Een camera heet een spiegelreflexcamera als het licht dat door de lens naar binnen valt, via een spiegel en een zogenoemd pentaprisma zichtbaar wordt in de (doorzicht)zoeker. Op het moment dat je op de knop drukt, klapt de spiegel naar boven en opent de sluiter, waardoor het beeld gedurende de vastgestelde belichtingstijd op de sensor komt.

Supergroothoeklens

Een lens met een (zoom) bereik van 13-20 mm. Komt niet voor bij compactcamera’s.

Supertelelens

Een lens met een (zoom)bereik van 400 mm of meer.

Systeemcamera

Camera met verwisselbare lenzen, die uitgebreid kan worden met een externe flitser en vele andere accessoires. Een spiegelreflexcamera is een systeemcamera, maar er zijn tegenwoordig ook spiegelloze systeemcamera's.

Tegenlicht

Doordat het onderwerp een felle lichtbron op de achtergrond heeft, kan het gebeuren dat de foto “onderbelicht” raakt: de voorgrond wordt te donker.

Telelens

Een lens waarmee je onderwerpen die ver weg staan, op de foto 'dichterbij kunt halen'. De foto wordt wel 'platter': objecten lijken dichter bij elkaar te staan dan wanneer je de foto van dichterbij maakt.

Thumbnail

Afbeelding op postzegelformaat: een kleine, lage-resolutieafbeelding van een groter beeldbestand voor het snel opzoeken en bekijken van afbeeldingen.

Vertekening

Vooral als je helemaal in- of uitzoomt kunnen horizontale of verticale lijnen aan de randen van de foto vervormen.

Verzadiging

Bij felle kleuren spreek je over verzadigde kleuren. Bij een lage verzadiging zijn kleuren fletser. Bij zwart-witfoto's is de verzadiging nul.

Vibratiereductie

Zie: beeldstabilisatie

Wifi

Een bepaalde standaard om draadloos (via radiofrequenties) samen te werken met andere producten met WiFi-logo.

xD-kaart (eXtreme Digital)

Type geheugenkaart dat nog gebruikt wordt door Olympus en voorheen door Fujifilm. Minder gangbaar dan SD(HC)-kaartjes.

Zoeker (type)

Bij de meeste compactcamera’s gebruik je het scherm op de achterkant als zoeker: daar ‘zoek’ je tot je in beeld hebt wat je op de foto wilt zetten. In onze testen kom je 3 soorten zoekers tegen. Bij een spiegelreflexcamera kijk je via een spiegel echt door de lens, bij compactcamera’s met een doorsnee zoombereik kijk je wel echt door de camera heen, maar niet via de lens en bij compactcamera’s met een groot zoombereik kijk je niet écht door de camera heen, maar zie je in de camera een heel klein LCD-schermpje zitten.

Zoom reflector

Zorgt ervoor dat het bereik van de flits aangepast wordt als je in- of uitzoomt.

Zoombereik

Het zoombereik geeft aan hoe ver u in- en uit kunt zoomen. De Consumentenbond rekent dit altijd om zodat alle camera’s vergelijkbaar zijn. Op een camera staat bijvoorbeeld f=6.3-18.9mm, maar in ons overzicht vind je dan bijvoorbeeld terug: optische zoom 36-108 mm = 3x.

Zoomfactor

Geeft aan hoeveel keer het beeld dichterbij te halen is met de zoomlens. De factor wordt berekend door de hoogste waarde van het zoombereik te delen door de laagste waarde van het zoombereik. Zo heeft een zoombereik van 35 tot 105 mm een zoomfactor van 3(x).

 
 
Inloggen

Toegang tot alle ledeninformatie

Nog geen lid?
Klik hier om lid te worden.

 

Word lid

Benieuwd naar ons advies?

Word lid en krijg toegang tot onze testresultaten

Lid worden

Bekijk alle voordelen