
Carola van Dorp Expert pensioenGepubliceerd op:7 april 2026
Er zijn 2 verschillende lijfrenten.
De regels voor beide lijfrenten zijn bijna hetzelfde en verschillen lichten we toe. De regels voor lijfrenten die vóór 1 januari 1992 gesloten zijn, behandelen we niet.
Je kunt een lijfrente laten ingaan wanneer je wilt, maar er is wel een uiterste ingangsdatum. Je moet uiterlijk op 31 december van het 5e jaar na het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt een keuze maken en de eerste uitkering ontvangen. Krijg je bijvoorbeeld in 2026 voor het eerst AOW? Dan is de uiterste datum 31 december 2031.
Een lijfrente mag ook eerder ingaan. Ligt de ingangsdatum vóór het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt? Dan moet de lijfrente levenslang uitkeren. Een bancair product kent een eigen definitie van levenslang. Levenslang betekent daar dat de uitkeringen tot 20 jaar na je AOW-leeftijd duren.
Er zijn 3 soorten lijfrente-uitkeringen:
Voor een tijdelijke lijfrente gelden een aantal voorwaarden:
Er is een uitzondering op de ingangsdatum. Had je vóór 1 januari 2014 al een lijfrente? Dan mag je de lijfrente laten ingaan in het jaar waarin je 65 wordt. Legde je na 31 december niets meer in? Dan mag je het hele kapitaal gebruiken. Heb je dit wel gedaan? Dan mag je het saldo gebruiken dat je op 31 december 2013 had. De aanbieder kan dit opzoeken in zijn administratie.
Een levenslange uitkering kent geen voorwaarden voor de ingangsdatum of de hoogte van de uitkering. Een verzekeraar keert uit tot je overlijdt. Een bancaire lijfrente heeft bij levenslang een looptijd van minimaal 20 jaar.
Deze lijfrente kun je alleen afsluiten als je lijfrente al bestond vóór 1 januari 2006. De ingangsdatum is vóór je AOW-datum. De uitkering stopt als je:
Het maximale uitkeringsbedrag is €63.288 per jaar. Je kunt deze lijfrente alleen afsluiten bij een verzekeraar.
Voor de uitkering sluit je een nieuw product. Daarbij maak je een aantal keuzes:
Lijfrente-uitkering en belasting
Over een lijfrente-uitkering betaal je belasting. Een aanbieder houdt daarom belasting in op je uitkering. Het belastingtarief is na de AOW-leeftijd lager. Krijg je verschillende uitkeringen, zoals AOW, pensioen en lijfrente? Dan betaal je over iedere uitkering het lage belastingtarief. Hierdoor betaal je soms te weinig belasting en moet je bijbetalen als je aangifte inkomstenbelasting gedaan hebt. Naast de belasting houdt de uitvoerder ook zvw-heffing in.
Lees meer over:
Bij overlijden maakt het uit of je een lijfrente hebt bij een verzekeraar of een bancaire aanbieder.
Bij de start van de uitkeringen spreek je af hoe lang de uitkeringsduur is. Na je overlijden loopt die afspraak door. Het hele kapitaal wordt hierdoor uitgekeerd. Het saldo op de rekening telt mee als bezit in je nalatenschap. Mogelijk betalen je erfgenamen daar erfbelasting over.
De uitkeringen gaan na je overlijden naar je erfgenamen. Heb je een testament? Dan kun je daarin bepalen wie de uitkeringen krijgt. Dat kunnen 1 of meer personen zijn. Het hoeven niet dezelfde personen te zijn als je erfgenamen. Je kunt bijvoorbeeld je vermogen nalaten aan je kinderen, maar de lijfrente aan een kleinkind.
Heb je geen testament? Dan gaan de uitkeringen naar je erfgenamen. Zijn er 3 erfgenamen? Dan krijgt ieder 1/3e van de uitkering. Tenzij je partner en kinderen erven. Dan gaan de uitkeringen naar je partner. De wettelijke verdeling geldt dan.
Een verzekering sluit je af op je leven, je lijf. Overlijd je vóór de einddatum van de polis? Dan stoppen de uitkeringen. De waarde van de verzekering telt niet mee als bezit in je nalatenschap. Die blijft er buiten.
Je kunt kiezen voor een nabestaandenlijfrente of een contraverzekering. Bij een nabestaandenlijfrente gaan de resterende uitkeringen voor 70% of 100% naar je partner. Kies je hiervoor? Dan krijg je een lagere uitkering. Bij een levenslange uitkering stopt de uitkering als je partner ook overlijdt.
Je kunt ook kiezen voor een contraverzekering. Dan krijgen de personen die je vooraf aanwijst een eenmalige uitkering.